Twee onbekende jugendstil-prenten van Hendricus Jansen

Jugendstil-kunstenaar Hendricus Jansen is vooral bekend geworden door zijn prachtige illustraties voor het lied van Heer Halewijn. Een recente vondst toont aan dat Henricus, zoals hij zijn werk altijd signeerde, nog een middeleeuws lied heeft verbeeld.

Toen ik onlangs op een verzamelbeurs in Utrecht 2 ingelijste prenten van Henricus zag hangen, dacht ik aanvankelijk dat het illustraties waren voor zijn bekende Dat Liedekin van Heere Halewine. De prenten zijn namelijk vormgegeven in dezelfde verfijnde jugendstil-stijl, die wordt gekenmerkt door een sierlijke belijning en weelderige decors in zachte pastelkleuren. Maar deze scènes herkende ik niet en wat me ook opviel was dat de strofen van het gedicht onder de illustraties stonden, terwijl die bij het Halewijnlied op losse floraal versierde tekstpagina’s staan. Ook het jaartal bij de signatuur (1909) wijkt af van de uitgave van het Halewijnlied (1904). Maar als dit niet het Halewijnlied is, welk lied is het dan wel? Zou het kunnen dat Henricus nog een middeleeuws lied heeft geïllustreerd? Ik heb daar nog nooit iets over gelezen.

Redenen genoeg dus om de platen aan te schaffen. De verkoper vroeg er slechts 75 euro voor (te samen). Nadat ik ze uit de lijst had gehaald, las ik de eerste strofen eens goed:

Het daghet in den Oosten
Het lichtet overal
Hoe luttel weet myn liefken
Waer dat ie henen sal

Och waerent al myn vrinden
Dat mijn vianden syn
Ic voerdi utenlande
Myn lief, mijn minnekyn.

Est waer, soudi mi voeren
Stout ridder wel ghemeit,
Ic ligghe in myn liefs armkens
Met ghrooter weerdigheit

Ergens in mijn geheugen ging een lampje branden. ‘Het daghet in den Oosten’, had ik dat niet eerder op de middelbare school gehoord tijdens de Nederlandse les? Na even googelen had ik het lied zo gevonden.

Volksballade
Het Daghet in den Oosten is een oude volksballade, die voor het eerst in 1544 in gedrukte vorm verscheen in het Antwerps liedboek. Het lied vangt aan met het aanbreken van de dag: ‘Het daghet in den oosten, het lichtet overal.’ Een jonkvrouw wacht op haar geliefde. In de tweede strofe staat echter niet haar minnaar, maar een andere aanbidder voor de poort van het kasteel. Hij doet haar een aanzoek: hij wil haar ‘utenlande’ voeren. Het meisje weigert en wijst erop dat ze al een vriend heeft, ‘met ghrooter weerdigheit’. De aanbidder meldt echter dat zijn rivaal verslagen en dood onder de groene linde (de boom van de liefde) ligt. Het meisje doet haar mantel (symbool van waardigheid en status) aan en vindt haar geliefde inderdaad dood. Zij vraagt haar vader en de bij hem aanwezige edellieden haar te helpen om de dode te begraven en hem zo een eervolle begrafenis te geven, maar het verzoek wordt geweigerd. Zij begraaft hem daarop eigenhandig en gaat daarna als non in het klooster.

Eerste prent voor Het daghet in den Oosten, Henricus (1909)

Eerste prent
Op de eerste plaat (zie de afbeelding hierboven) zien we de scène met de minnaar aan de poort van het kasteel met daaronder de eerste drie strofen uit het lied. Naast de al genoemde stijlkenmerken, zoals de zachte pastelkleuren, heeft deze prent meer opvallende overeenkomsten met de illustraties voor het Halewijnlied. Zo lijkt de afgebeelde edelman als twee druppels water op de rechter figuur op onderstaande prent voor het Halewijnlied. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat het dezelfde persoon is. Beide afbeeldingen zijn gevat in een staand rechthoekig kader met afgeronde bovenhoeken.

Scène uit Dat Liedekin van Heere Halewine, Henricus (1904)

Typerend voor de jugendstil-stijl van Henricus is dat hij de figuren vaak en profil afbeeldt met witte contourlijnen, waardoor zij als het ware loskomen van de achtergrond. Dit had hij geleerd tijdens zijn verblijf in Parijs van 1887 tot 1892, waar art-nouveau-kunstenaars als Alfons Mucha, Paul Berthon en Eugène Grasset deze techniek veel toepasten.

Tweede prent
Op de tweede plaat van Het Daghet in den Oosten (zie hieronder) is het moment afgebeeld waarop het meisje haar gedode geliefde vindt onder de lindeboom. Zijn zwaard ligt naast hem en de geknakte bloem – links op de voorgrond – maakt duidelijk dat het gevecht nog maar kortgeleden op deze plek heeft plaatsgevonden.

Tweede prent voor Het daghet in den Oosten, Henricus (1909)

Onder de prent staan de volgende drie strofes uit het lied:

Ligdi in uw lief armkens?
Bilo, ghi en segt niet waer:
Gaet henen ter linden groene
Versleghen so leit hi daer.

Dat meisken nam haren mantel,
Ende si ginc enen ganc
Al totter linden groene
Waer si di doode vant.

Och, ligdi hier verslaghen
Versmoord in al uw bloet
Dat hevet ghedaen uw roemen
Ende uwen hooghen moet.

Ook bij dit affiche van Henricus uit 1910 valt de middeleeuwse thematiek op. Door de witte contourlijnen komen de hoofdfiguren los van de achtergrond. (Collectie/copyright: Reclame Arsenaal)

Drukkerij Lankhout
De kleurenplaten zijn gesigneerd en gedateerd in de druk. Henricus maakte de prenten in 1909, 5 jaar na zijn illustraties bij het Halewijnlied. De litho’s zijn gedrukt bij Lankhout in Den Haag, waar Henricus ook zijn illustraties voor het Halewijnlied lithografeerde. Dit plaatwerk bestaande uit 27 jugendstilprenten wordt gezien als zijn grote meesterwerk. Er waren maar liefst 186 lithostenen voor nodig en Henricus deed er twee jaar over om alle prenten te schetsen en in steendruk uit te voeren.

Voor Het daghet in den Oosten maakte hij maar 2 prenten*, zo blijkt uit een advertentie die op 20 november 1916 in de Arnhemsche Courant en in de Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche Courant stond (zie de afbeelding hieronder). Kennelijk werden de prenten dus pas 7 jaar nadat ze gemaakt waren verkocht of misschien ging het om een restpartij? De prenten werden aangeboden door de Haagse kunstvereniging “Kunst aan allen”. Het besteladres – firma L.P. Oudewaal, Paul Krugerlaan 50, Den Haag – staat ook op de achterzijde van de lijsten, waaruit mijn exemplaren komen.

*Dat Henricus maar 2 platen maakte voor Het daghet in den Oosten wordt ook bevestigd in een artikel van August Heyting in het Nederlandsch Dagblad d.d. 04-03-1941: ‘Bij het eveneens beroemde “Het daghet in den Oosten”, maakte Henricus twee fraaie steenteekeningen, maar bij het Halewynlied gaf hij talrijke prachtige steenteekeningen…’

Ook de tweede prent heeft een aantal duidelijke overeenkomsten met de illustraties voor het Halewijnlied. Vooral de manier waarop Henricus natuurlijke motieven gebruikt om gevoelens over te brengen, doet denken aan scènes uit het Halewijnlied. Zo laat hij de kronkelige bomen en naar beneden hangende bladeren op de achtergrond als het ware meetreuren met de jonkvrouw die is neergevlijd bij het levenloze lichaam van haar geliefde. Deze scène doet sterk denken aan onderstaande prent voor het Halewijnlied, waarbij de prinses het afgehakte hoofd van Heer Halewijn wast in een meer. Zie ook de hartvormige bladeren op beide prenten, die symbool staan voor de liefdesband tussen man en vrouw.

Scène uit Dat Liedekin van Heere Halewine, Henricus (1904)

Femmes fatales
Maar de meest opvallende overeenkomst is natuurlijk de gekozen thematiek. In beide verhalen vindt een man de dood door toedoen van een vrouw. In het Halewijnlied is het de prinses die na een list het hoofd van Heer Halewijn afhakt voordat hij haar kan doden (lees voor het precieze verhaal ook mijn eerdere bericht over het Halewijnlied). Zij is een echte femme fatale; een verleidelijke vrouw die een man zijn krachten ontneemt en in dit geval zelfs van het leven beroofd. In Het daghet in den Oosten is het weliswaar een onbekende rivaal die de geliefde van de jonkvrouw doodt, maar indirect wordt zijn liefde voor haar hem noodlottig, en in die zin past dit lied dus ook in het rond 1900 populaire thema van de femme fatale.

Wie wil weten hoe dit droevige verhaal afloopt, kan hieronder de laatste strofen lezen…

Och, ligdy hier verslaghen
die mi te troosten plach?
Wat hebdy mi ghelaten?
So menighen droeven dach.

Tmeysken nam haren mantel
ende si ghinck eenen ganck
al voor haers vaders poorte
die si ontsloten vant.

Och, is hier eenich heere
oft eenich edel man
die mi mijnen dooden
begraven helpen can?

Die heeren sweghen stille
si en maecten gheen geluyt.
Dat meysken keerde haer omme
si ghinc al weenende uut.

Si nam hem in haren armen
si custe hem voor den mont
in eender corten wijlen
tot also menigher stont.

Met sinen blancken swaerde
dat si die aerde op groef
met haer snee witten armen
ten grave dat si hem droech.

Nu wil ic mi gaen begeven
in een cleyn cloosterkijn
ende draghen swarte wijlen
ende worden een nonnekijn.

Met haer claer stemme
die misse dat si sanck
met haer snee witten handen
dat si dat belleken clankc.

Naschrift: binnenkort krijg ik een scriptie over Hen(d)ricus Jansen ter inzage, wellicht dat hierin nog meer informatie staat over de prenten voor Het Daghet in de Oosten.

5 gedachten over “Twee onbekende jugendstil-prenten van Hendricus Jansen”

    1. Sipke vd Peppel – The Netherlands – I write to share my passion for early 20th century applied arts. Take a look at my blogs: Anno1900.nl and Dutchbookdesign.com
      Sipke vd Peppel schreef:

      Graag gedaan weer, Jalf! Ik was zelf ook erg verrast door deze vondst.

    1. Sipke vd Peppel – The Netherlands – I write to share my passion for early 20th century applied arts. Take a look at my blogs: Anno1900.nl and Dutchbookdesign.com
      Sipke vd Peppel schreef:

      Bedankt voor je reactie, Theo. Binnenkort krijg ik dus een scriptie over Hen(d)ricus Jansen ter inzage, wellicht dat daar nog meer informatie over deze prenten in staat. Houd mijn blog dus in de gaten! Mvg Sipke

Geef een reactie