Tags

,

Muziekblad - Rouwviolen, omslagontwerp Hendrik Petrus Berlage (1895)

Hendrik Petrus Berlage ontwierp in 1895 een omslag voor het muziekblad Rouwviolen. Om zijn zware symboliek beter te begrijpen moeten we dieper in de gedichten en het leven van Hélène Swarth duiken.

Portret van een jonge Hélène Swarth uit het Nationaal Archief. De foto is gemaakt in 1879 op haar 20ste verjaardag.

Rouwviolen is een dichtbundel uit 1889 van Hélène Swarth (1859-1941), die gaat over een vrouw die in de steek gelaten is door haar jeugdliefde. Als de jongeman enkele jaren later sterft, bezoekt ze zijn graf en denkt ze terug aan haar ‘blonde zonnegod’ en zijn ‘wrede verraad’. Haar gedachten zijn donker en somber als de rouwviolen op het graf.

De laatste maal dat ‘k om zijn graf kwam dolen, was de aarde er violet van rouwviolen.

Die donkre bloemen waren mijn gedachten, die vlugge vogels daar als zaden brachten.

Ik heb ze lief, die sombere gezichtjes,
omzweefd van vlinders en van zonnelichtjes.

Ik ken ze, ik groet ze bij haar namen, allen,
wel wist die vogel, wáár hij ’t zaad liet vallen.

Fluweelen bloemen, donkere gedachten
van gouden dagen en van zwarte nachten,

Gedoopt met bittren dauw van stille tranen,
o bloemen, die zoovelen zielloos wanen!

O mijn gedachten, bloeiende symbolen,
brengt hem mijn laatsten groet, o rouwviolen!

Muziekblad
In 1895 werden enkele gedichten uit Rouwviolen bewerkt tot drie liederen en op muziek gezet door de predikant Abraham Dirk Loman (1823-1897). De bekende architect Hendrik Petrus Berlage (1856-1934), die zich ook bezighield met het ontwerpen van boekbanden en gelegenheidsgrafiek, tekende het omslagontwerp voor het muziekblad.

Muziekblad - Rouwviolen, omslagontwerp Hendrik Petrus Berlage (1895)

Berlages omslagontwerp staat bol van de zware symboliek.

Zware symboliek
Berlages omslagtekening is sterk symbolisch en verwijst direct naar de tekst van Swarth. Zo zien we de rouwviolen met treurige naar beneden hangende zwarte bloemen, die naar de sombere gedachten verwijzen. De tranen die van de bladeren op de grond druppelen, verbeelden het verdriet van de vrouw. Zij voeden de zaden in de grond (zie de kleine groene plantjes tussen de rouwviolen) die uitgroeien tot nieuwe witte bloemen (in de gele bovenrand), een teken van hoop en vergeving. Linksboven zien we ook de vlinders uit het gedicht. Wat tot slot opvalt is dat Berlage niet een maar twee vrouwen heeft afgebeeld, waarvan de voorste een zwarte staf vasthoudt. Dit is een verwijzing naar de haat-liefdeverhouding die spreekt uit het volgende (samengevatte) gedicht uit Rouwviolen:

Ik ben met mijn haat door het leven gegaan.
Een mantel van purper had zij aan.

(…) Zij droeg in de rechter een zwarten staf,
daar sloeg zij de zomersene bloemen mee af,

die lieflijk ontloken, langs heg en vliet,
en die zij mij nimmer toch plukken liet.

(…) Maar toen ik daar stond bij mijn lievekens graf,
daar knopte en daar bloeide haar zwarte staf,

tot hij rozen droeg als een rozelaar,
veel blanke en veel roode, bij elkaar.

(…) Ik kuste haar handen en hemelsch licht
kwam over haar vorstelijk aangezicht.

– ‘En zijt gij niet langer mijn trouwe haat,
o gij die uw tranen zoo vloeien laat?’

Toen sprak zij: – ‘En hebt ge dat nooit verstaan?
Gij zijt met uw liefde door ’t leven gegaan.’

Met andere woorden: de vrouw komt aan het graf tot het inzicht dat haar gevoelens van haat voortkomen uit haar liefde. Pas dan kan zij haar jeugdliefde vergeven wat hij haar heeft aangedaan.

O, kón hij maar weten,
Mijn arme schat,
Dat ik álles en álles
Vergeven had!

Zijn woorden als doornen.
Zijn wreed verraad,
zijn martlende liefde,
zijn blinde haat!

In leven en sterven,
zoo ver van mij,
zoo ver in zijn graf nu
en zóó nabij!

Daar slaapt hij zoo roerloos,
zoo koud als steen,
zoo ver van zijn vrienden,
zoo héél alleen!

En al breng ik hem bloemen,
’t bekoort hem niet.
En al zing ik hem zangen,
hij hoort het niet.

Ik moet hem wat fluistren
in ’t oor, heel zacht,
en kalm zal hij slapen,
nog vóór den nacht.

O, mocht ik maar vinden
zijn bleeken mond!
Ik raak met mijn lippen
den weeken grond.

Ik kniel in de bloemen…
het graf is toe.
Ik moet hem wat zeggen…
ik weet niet hoe.

De twee vrouwen op Berlages omslag verbeelden dus de vrouw en de verpersoonlijking van de haat, die uiteindelijk wordt overwonnen door de liefde. Een thematiek die goed past bij de kunst en literatuur van het fin de siècle, waarin de gevoelswereld van de vrouw in combinatie met het onheil of de dood van een man vaak centraal staat. Dit is bijvoorbeeld ook het geval in het verhaal van Salomé en Johannes de Doper en in het Halewijnlied, waar ik eerder over schreef.

Max Waller
Voor Swarth zelf echter waren haar gedichten bittere ernst. Rouwviolen gaat eigenlijk over haar gevoelens voor de Belgische schrijver Max Waller (een pseudoniem van Maurice Édouard Warlomont, 1860-1889), die enkele maanden voor het uitkomen van haar dichtbundel op 29-jarige leeftijd was overleden.
De twee leerden elkaar als tieners kennen bij zijn tante die naast de familie Swarth in Brussel woonde en voerden samen door Hélène geschreven toneelstukjes op. Ze waren pas 17 jaar oud toen de vonk oversloeg. Maar terwijl Swarth jarenlang hartstochtelijk droomde van een huwelijk met haar prins op het witte paard, stak Waller in zijn literaire debuut in 1883 de draak met hun jeugdrelatie. Zijn novelle La vie bête (Het domme leven) werd bovendien gepubliceerd in het mede door hemzelf opgerichte literaire tijdschrift La Jeune Belgique, waar Swarth ook gedichten voor schreef.
Helene’s alter ego Madeleine wordt in La vie bête geportretteerd als een naïeve jonge vrouw die leeft in haar zelfgeschapen droomwereld en wegvlucht voor de realiteit en voor – want daar ging het natuurlijk om – de vleselijke begeerten van haar geliefde. Deze karaktermoord en het feit dat Waller haar in de steek liet voor een andere vrouw waren het ‘wrede verraad’ waarover Swarth schrijft in Rouwviolen. Een jaar na het verschijnen van haar dichtbundel wijdde ze nog één gedicht aan hem met de veelzeggende titel ‘Testament’.

‘k Verbrandde ’t blad waarop uw zonde stond,
gelijk een schatrijke edelvrouw niet laat
betalen d’armen landman pacht en zaad,
maar de schuld kwijtscheldt, die hem drukte en bond.

Ik maalde een glorie rond uw wuft gelaat,
ik schreef Vergeving op uw graf, ik wond
een krans violen om uw kruis… en vond,
als loon, uw boek: een testament van haat.

Dat was een bittre bete en, heel den dag,
heb ik mijzelv’ verfoeid, veracht, bespot,
omdat ik eens dien knaap naar de oogen zag.

Toen las ik wat de apostel heeft geboekt:
“Bemin uw vijand! Zegen wie u vloekt!”
En ‘k bad voor u, o ziel gericht door God!

‘Testament van haat’
Dit tweede gedicht verwijst veel explicieter naar haar relatie met Waller dan de gedichten in Rouwviolen, die meer over haar zielenroerselen gaan. Ze noemt niet alleen zijn blad en boek (‘een testament van haat’), de woorden ‘een bittre bete’ verwijzen rechtstreeks naar de titel van zijn novelle. Ook de (rouw)violen komen er weer in voor. Kennelijk kon ze het hem maar moeilijk vergeven.
Hoewel Swarth vaak is verweten dat ze dweepte met haar gevoelens, is Rouwviolen in mijn ogen juist een dapper en persoonlijk relaas over rouw en afwijzing in de liefde. In haar gedichten passeren alle denkbare gevoelens de revue en gaat ze haar meest donkere gedachten niet uit de weg. Je moet het maar durven in een tijd waarin vrouwen toch al werden weggezet als labiel en emotioneel.

  • Drie bandontwerpen voor dichtbundels van Hélène Lapidoth-Swarth, v.l.n.r. Diepe wateren (1897), Octoberloover (1903) en Najaarsstemmen (1900)