Tags

, , ,

Prospectus Een Liefde door Lodewijk van Deyssel Scheltema & Holkema's Boekhandel, ontwerp: Theo Nieuwenhuis (1899)

Het prospectus werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt om de 2e druk van ‘Een Liefde’ van Lodewijk van Deyssel aan te kondigen.

Er zijn er duizenden van gedrukt, maar slechts enkele van bewaard gebleven. Het prospectus van Scheltema en Holkema’s Boekhandel – ontworpen door Theo Nieuwenhuis in 1899 – is een van de eenvoudigste, maar ook een van de fraaist versierde drukwerkjes in de stijl van de Nieuwe Kunst. Zelden werd er zo veel aandacht besteed aan de vormgeving van een ‘gewone’ boekaankondiging.

Theo Nieuwenhuis heeft veel toegepaste grafiek, zoals jaarkalenders, schutbladen en boekbanden, ontworpen voor Scheltema en Holkema’s Boekhandel in Amsterdam. Een van zijn minder bekende ontwerpen voor de uitgeverij van zijn goede vriend en mecenas Klaas Groesbeek is het prospectus waarmee nieuwe uitgaven werden aangekondigd.

Kunstenaarsvrienden
Groesbeek was zeer gecharmeerd van het vroege grafische werk van Nieuwenhuis en zijn kunstenaarsvrienden Gerrit Willem Dijsselhof en Carel Adolph Lion Cachet. Hij voorzag hen tussen 1892 en 1910 van tal van kleine en grote opdrachten voor zijn uitgeverij. Bovendien was Groesbeek ook zakelijk leider bij kunsthandel E.J. van Wisselingh & Co, die in 1898 een kunstnijverheidsatelier voor het drietal oprichtte. Enkele jaren daarvoor had hij voor hen al een steendrukpers gekocht, zodat de heren – die zich aanvankelijk vooral bezighielden met het maken van houtsneden – zich ook konden bekwamen in de kleurenlithografie.

Art Nouveau omslag voor De Nederlandsche Almanak 1894, ontwerper: Theo Nieuwenhuis

Bij dit vroege omslagontwerp voor De Nederlandsche Almanak gebruikt Nieuwenhuis nagenoeg dezelfde compositie als voor het prospectus: het vel is verdeeld in 3 rijen en 3 kolommen waardoor 9 vlakken ontstaan. De lijnen tussen de vlakken zijn weergegeven als plantenstengels.

Vooral Nieuwenhuis, die al eerder met deze vlakdruktechniek had geëxperimenteerd, bleek een uitstekend lithograaf te zijn. Als geen ander beheerste hij het precieze drukprocedé, waarbij voor elke kleur een krijttekening op een aparte lithosteen wordt gemaakt. Het prospectus van Scheltema en Holkema’s Boekhandel is hier een goed voorbeeld van. Het inlegvel, dat als reclame werd meegegeven bij nieuwe boeken, is gedrukt van vier stenen en uitgevoerd in twee kleurvarianten: rood-bruin-groen-zwart en geel-violet-groen-zwart.

Vlakversiering
Het blaadje van circa 14 bij 20 centimeter heeft een florale sieromlijsting en eenvoudige vlakverdeling in drie rijen en drie kolommen, waardoor negen vakken ontstaan. Het grote middelste – iets naar boven geplaatste – vak is leeg gelaten voor de tekst. Kenmerkend voor het werk van Nieuwenhuis is de combinatie tussen enerzijds natuurlijke siermotieven en anderzijds een strakke, geordende vlakversiering. Voor dit laatste maakte hij gebruik van een ontwerpsysteem op basis van wiskundige vormen, zoals cirkels en rechthoeken, die hier en daar nog duidelijk zichtbaar zijn in het eindresultaat.

Prospectus Een Liefde door Lodewijk van Deyssel Scheltema & Holkema's Boekhandel, ontwerp: Theo Nieuwenhuis (1899)

Zeldzame kleurvariant van het prospectus in geel, violet, groen en zwart (Collectie UB Leiden)

Lievevrouwebedstro
Als hoofdmotief voor zijn florale versiering koos Nieuwenhuis het lievevrouwebedstro, dat niet alleen decoratief is bedoeld maar ook een symbolische betekenis heeft. Lievevrouwebedstro staat van oudsher bekend als anti-magisch kruid om boze geesten op afstand te houden. Het is een oud volksgebruik om een bosje van het gedroogde kruid ter bescherming boven de wieg te hangen. Dus zoals het afweerkruid de pasgeboren baby beschermt, zo beschermt de versiering als het ware het geesteskind van de auteur. Een prospectus kondigt immers de ‘geboorte’ van het boek aan.

Het lievevrouwebedstro is ondanks de gestileerde weergave nog goed herkenbaar aan de trosjes witte, sterachtige bloemetjes en kransen van smalle langwerpige bladeren. Alle details zijn met veel liefde vormgegeven. Zo doet Nieuwenhuis veel moeite om te laten zien dat de plant leeft en groeit. Aan de uiteinden van de zwarte wortels heeft hij bijvoorbeeld piepkleine groene uitlopers getekend. Onderin zijn in rood twee kleine vruchtbeginsels afgebeeld. De spiraalvormige versieringen rondom de bladeren en bloemen duiden op beweging en benadrukken eveneens het groeien van de plant.

Hoge oplage
Het prospectus van Nieuwenhuis werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt voor de aankondiging van de tweede druk van Lodewijk van Deyssel’s roman Een Liefde en even later opnieuw voor diens Verzamelde opstellen. Maar ook boeken van wat mindere statuur, zoals de kinderboeken ‘Notenkraker en Muizenkoning’ en ‘Het bruine boontje en andere verhalen’, werden ermee aanbevolen.

Helaas nam de drukker het niet altijd zo nauw met Nieuwenhuis’ zorgvuldige ontwerp, want bij sommige exemplaren is het blad een kwartslag gedraaid. Hierdoor staat het tekstkader uit het midden, waardoor de symmetrie van de compositie verloren gaat. Bovendien lijkt het bij deze liggende exemplaren alsof de plant niet van onder naar boven groeit, maar van links naar rechts!

Prospectus ‘Lappenkoning en Het bruine boontje’, ontwerp: Theo Nieuwenhuis (1899)

Horizontale variant: doordat het vel een kwartslag is gedraaid lijkt het alsof de plant niet van onder naar boven, maar van links naar rechts groeit!

In totaal zijn er bijna zestigduizend inlegvellen gedrukt en verspreid. Helaas zijn er ondanks de hoge oplage maar weinig exemplaren bewaard gebleven. Het meeste reclamedrukwerk – hoe mooi versierd ook – werd net als nu weggegooid. Dit maakt het prospectus tot een zeldzame en gezochte uitgave, die is opgenomen in de collecties van verschillende musea en bibliotheken.

Alledaagse schoonheid
Dat Nieuwenhuis zo veel aandacht besteedde aan een eenvoudig inlegvel zegt ook iets over de ambitie van de Nieuwe Kunst-voorhoede om het dagelijks leven te bezielen met schoonheid. Het was Dijsselhof die dit streven voor het eerst treffend verwoordde toen beiden nog studeerden aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid, herinnert Nieuwenhuis zich in zijn memoires.

‘Kunst kan men niet aanleeren’, had ‘Dijs’ tegen zijn medestudenten gezegd. ‘Men heeft de gave tot scheppen in zich, of niet. Maar waar wél tegen op te komen is, is het noodeloos zielloos maken door den machinalen arbeid van alles wat ons omringt. Als het zoo doorgaat, als wat je opneemt, of wat het oog ziet, dood en zielloos is, waarvan moet dan de inspiratie van den kunstenaar komen? Want juist die alledaagse dingen om ons heen bepalen onze stemming. In handwerk, ja in het onbenulligste handwerk, schuilt de ziel van onzen medemensch. En al die zieltjes bij elkaar geven ons een zachte aandoening van geluk.’

En wat is er nou alledaagser dan een eenvoudige boekaankondiging, die uit niet meer bestaat dan een versierd velletje papier?

Dit artikel is oorspronkelijk geschreven voor het themanummer van tijdschrift Boekenwereld n.a.v. de tentoonstelling De bijzondere band: art-nouveauboeken van Dijsselhof, Lion Cachet en Nieuwenhuis. Alle afgebeelde documenten zijn (tenzij anders vermeld) afkomstig uit de Collectie Anno1900.

Geraadpleegde bronnen:

  • J.F. Heijbroek en E.L. Wouthuysen; Portret van een kunsthandel – De firma Van Wisselingh en zijn compagnons 1838-heden; Waanders Uitgevers, Zwolle 1999
  • E. Braches; Nieuwe Kunst en het boek – Een studie in Art Nouveau (heruitgave); De Buitenkant, Amsterdam 2003
  • E. Braches; Nieuwe Kunst toegepaste grafiek – documentatie; De Buitenkant, Amsterdam 2006