Tags

, , , ,

Ambachtsschool Utrecht Gedenkschrift 1877-1902 Nieuwe Kunst boekband ontwerper Johannes Dominicus Ros

Deze fraaie boekband is ontworpen door Johannes Ros ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Utrechtse Ambachtsschool. Ros was behalve leraar en kunstenaar ook een belangrijk theoreticus van de Nieuwe Kunst, die vooral bekend is geworden door zijn boek over het ontwerpen vlakornament.

Het ontwerpen van vlakornament bandontwerp Johannes Dominicus Ros

Bandontwerp: J.D. Ros (1905)

‘In mijn practijk aan twee inrichtingen van verschillenden aard, ten eerste de Ambachtsschool te Utrecht, en ten tweede de Academie van Beeldende Kunsten te ’s Gravenhage, werd mij herhaaldelijk gevraagd naar boeken en handleidingen over ornament, en het ontwerpen ervan’, schrijft Johannes Dominicus Ros (1874-1952) in het voorwoord van zijn boek Het ontwerpen van vlakornament.

Jan_Ros_titelpagina_ontwerpen_vlakornament

Titelpagina, ontwerp: J.D. Ros (1905)

Leidraad voor vlakversierders
Dit boek dat in 1905 werd uitgebracht door uitgeverij W.L. & J. Brusse in Rotterdam, was een leidraad voor kunstenaars die zich begin 1900 bezighielden met ‘vlakversiering’. Het boek stond bol met voorbeelden die door Ros zelf waren getekend en bevatte daarnaast tal van andere illustraties, zoals de beroemde prenten van de Duitse zoöloog Ernst Haeckel. Daarnaast gaf Ros een brede samenvatting van wat andere invloedrijke kunstenaars, zoals Lewis F. Day, Walter Crane, William Morris en Jan Hessel de Groot, over het ontwerpen van vlakornament hadden geschreven. Om daar vervolgens zijn eigen conclusies aan toe te voegen.

Jan_Ros_ontwerpen_vlakornament_Haeckel

Spread uit het boek van J.D. Ros met links enkele geometrische versieringen en rechts afbeeldingen van zeeorganismen uit het prentenboek van Ernst Haeckel

‘Van harte hoop ik dat het boek zal voorzien in een bepaalde behoefte; dat het zijn lezers moge vinden onder leeraren en leerlingen van Ambachts-, Kunstnijverheids- en Teekenscholen; dat het van nut moge zijn voor zelfstandige beoefenaars van de ornamentale kunst en ook vooral dat het publiek het in handen moge nemen. Dan zal het zeker bijdragen tot de verspreiding van de kennis van het ornament en der versieringskunst en zal onze arbeid beloond zijn’, besluit Ros zijn voorwoord.

Briefkaart - Tentoonstelling Opvoeding van de jeugd, ontwerp: Johannes D. Ros (1919)

Affiche, ontwerp: J.D. Ros (1919)

Schoonheid terugbrengen
Ros was docent aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Ook was hij oprichter en voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging Schoonheid in Opvoeding en Onderwijs (NVSOO). Deze vereniging streefde ernaar om de kunst beter te integreren in het lager onderwijs. Zo wilde de NVSOO vakken als tekenen, muziek en handarbeid verplicht stellen en esthetische regels voor schoolgebouwen invoeren. Dit was volgens Ros nodig om de ‘schoonheidszin’ terug te brengen in de moderne maatschappij. ‘We zijn kinderen van de eeuw der stoommachine, der telegraaf en der electriciteit’, schrijft hij in een essay voor de NVSOO. ‘We hebben ons afgewend van het schoone en daarom begrijpen we het niet meer.’

boekband_ambachtsschool_Utrecht_achterkant

Achterkant van de boekband

Gedenkschrift ambachtsschool
Voordat Ros in 1902 werd benoemd als docent aan de Haagse Academie van Beeldende Kunsten werkte hij als leraar vak- en vormtekenen aan de Utrechtse Ambachtsschool. In datzelfde jaar ontwierp hij deze fraaie boekband voor het ‘gedenkschrift’ ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de school. Hoewel de band 3 jaar eerder is ontworpen, voldoet zijn bandontwerp al aan de richtlijnen uit zijn latere ‘lesboek’.

Natuurlijke vormen stileren
Kenmerkend is bijvoorbeeld de ‘platte’ vereenvoudigde weergave van bloemen, vogels en mensen. Dit was volgens Ros een van de beginselen van goede vlakversiering. De ontwerper moest de natuurlijke vormen ‘stileren’, maar mocht deze beslist niet ‘kopiëren’. ‘Dat kan nimmer de bedoeling zijn’, schrijft hij in Het ontwerpen van vlakornament. ‘Geen natuurlijke afbeelding in ornament en vooral niet in vlakornament kan bevredigen; geen photografische naäperij der natuur – slechts natuurlijk naar den schijn is voldoende.’

Jan_Ros_ontwerpen_vlakornament_kopstuk

Door J.D. Ros ontworpen kopstuk met gestileerde insecten

Vermijden van kunstmatig perspectief
Ros wijst elke vorm van kunstmatig perspectief van de hand: ‘Is vlakornament een tegenstelling van reliëfornament, d.i. een ornament, dat geen hoogte of dikte heeft, maar een vlakke versiering is van een zeker oppervlak, dan moet ’t ook geheel blijven hetgeen het is en moet elke schijn van reliëf zorgvuldig worden vermeden. Vlakornament moet dus een volkomen vlakke indeeling zijn van het te versieren vlak door middel van vormen en kleuren. Geen schaduw op het vlak (slagschaduw), nog op delen van het ornament (eigenschaduw) moet worden aangebracht, want zij vormen de eerste herinneringen aan het reliëf. Alle reliëf moet weggelaten worden, al is het ook in schijn.’

gedenkboek_binnenwerk_01

Reinier de Vries ontwierp de kopstukken en beginkapitalen.

Reinier de Vries
Ook de kopstukken en beginkapitalen bij de hoofdstukken in het jubileumboek van de ambachtsschool, die zijn gemaakt door collega-docent Reinier de Vries jr. (1874-1953), voldoen aan deze strikte opvattingen over vlakornament. Ook hierbij zijn duidelijk de gestileerde natuurvormen te herkennen in de vorm van vlinders en bijen.

Jan_Ros_ontwerpen_vlakornament_geometrie

Geabstraheerde natuurvormen

Geometrische natuurwetten
Het abstraheren van natuurvormen tot vlakornamenten gebeurde met behulp van een ontwerpsysteem. Hiervoor gebruikte de ontwerper één of meerdere wiskundige basisvormen, zoals cirkels, driehoeken of vierkanten. Door deze vormen herhaaldelijk en gelijkmatig over het vlak te verdelen ontstond een patroon dat als basis diende voor de versiering.

Deze manier van ontwerpen was typerend voor de Nieuwe Kunst en kwam voort uit de theosofische denkbeelden die veel Nederlandse kunstenaars aanhingen. Zij zagen in de wiskunde een bewijs van een goddelijke orde. Alle vormen in de natuur waren volgens theosofische kunstenaars als Ros en De Vries gebaseerd op geometrische wetten. Zij werden daarin gesteund door recente ontdekkingen, zoals microscopische opnamen van eencellige organismen en gedetailleerde foto’s van kristallen. Ook de prenten van onbekende zeeorganismen van de Duitse zoöloog Ernst Haeckel waren een grote inspiratiebron voor kunstenaars.

gedenkboek_binnenwerk_02

De kopstukken van De Vries bestaan uit gestileerde vlinders en bijen.

De natuur als leermeester
Alleen door de natuur nauwkeurig te bestuderen kon een kunstenaar zich de geometrische natuurwetten eigen maken en toepassen in zijn ontwerpen. In zijn boek verwoordt Ros dit idee als volgt:

‘Hij (de ontwerper) heeft zich slechts op den weg te begeven naar den verheven aardschen “Tempel der Godheid”, in liefde neer te knielen aan de voeten van den “Grooten Bouwmeester des Heelals”, om bij elke schrede duizenderlei vormen van niet te noemen verscheidenheid, van onbegrijpelijke kleur en vorm te ontwaren. Hij heeft zich vertrouwd te maken met de wetten van het ornament en ook deze kan hij leeren in die grootsche school van den “Onnoembaren Ornamentist”, want de schoonste ornamenten zijn in zijn Tempel te ontdekken, en dan is hij in staat iets te wrochten, dat goed en schoon is, dat waard zal zijn door zijn nakomelingen met eerbied te worden aanschouwd.’

Jan_Ros_ontwerpen_vlakornament_gestileerde_plantvormen

Florale versieringen die zijn gemaakt met een ontwerpsysteem.

Symbolische verbeelding
Een ander aspect van de Nieuwe Kunst dat terugkomt in het bandontwerp voor het gedenkschrift van de Utrechtse Ambachtsschool, is de symbolische verbeelding van het onderwerp. Hiervoor moeten we de band wat beter bekijken:

Ambachtsschool Utrecht Gedenkschrift 1877-1902 Nieuwe Kunst boekband ontwerper Johannes Dominicus Ros

Bandontwerp: J.D. Ros (1902)

Op de band van Ros zijn 2 leerlingen afgebeeld. De één houdt een bloem in zijn hand die waarschijnlijk symbool staat voor de kennis van natuur, kunst en schoonheid; de ander houdt een grote hamer vast die verwijst naar de kennis en het gebruik van werktuigen, gereedschappen en materialen. Hiermee verbeeldt Ros de 2 kanten van het ambachtsonderwijs (theorie en praktijk) die in het gedenkschrift worden benadrukt. Wat verder opvalt, is dat beide jongens op een trap staan. Zij stijgen als het ware op de maatschappelijke ladder. De sierlijke bloemen aan de onderzijde verwijzen ook naar persoonlijke groei, ontwikkeling en geestelijke verheffing. De gestileerde vogels in de randversiering aan de bovenkant staan vermoedelijk symbool voor het ‘uitvliegen’ van de jongeren na de voltooiing van hun opleiding.

gedenkboek_binnenwerk_foto_werkplaats

Praktijkles in de meubelwerkplaats.

Bezielende kunst
Ros zag een belangrijke taak weggelegd voor deze nieuwe generatie ontwerpers en ambachtslieden. Gezamenlijk moesten zij weer ‘bezieling geven aan de kunst’. Hierbij konden zij een voorbeeld nemen aan andere culturen.

‘Of wij zien naar de onontwikkelde of naar de meest beschaafde menschengeslachten; naar den Nieuw-Zeelander, godenbeeldjes snijdend op zijn hut, of leunstok, of mes; of dat wij onze blikken richten naar den Boeddhist, den Hindoe of den Christenmonnik der middeleeuwen, zijn heilige geschriften verluchtend; of dat we zien naar Michelangelo, Rafaël, da Vinci en zoovele anderen, steeds vinden wij dat zij allen de verhevenste gedachten, de goddelijkste ideeën vastlegden in hunne gebouwen, beelden of schilderingen, hunne medemenschen en nakomelingen bezielende met de hoogste gevoelens en neigingen. Zij allen geven het antwoord op onze vraag. Niet het nabootsen der stoffelijke natuur alleen is voldoende, of schenkt den mensch blijvende bevrediging. Alleen dan voelt de innerlijke mensch zich voldaan, wanneer de kunst in het algemeen en de ornamentale werken in ’t bizonder bezield zijn met de innerlijke gedachten van den maker, wanneer zij vervuld zijn met zijn zieleleven.’

Jan_Ros_ontwerpen_vlakornament_illustratie

Deze houtsnede doet denken aan het werk van Lauweriks en De Bazel.

Dit was volgens hem alleen mogelijk als de kunst net als vroeger in dienst stond van het hogere ideaal. ‘De glans der glorie zal eerst dan van de kunsten afstralen, wanneer kunst, wetenschap en eeredienst vereenigd zullen worden in onverbreekbaren band, gelijk in die tijden der Ouden, waaruit nog heden enkele lichtstralen hunner ruïnen ons beschijnen’, aldus Ros.